Menu

In de titel van dit kort onderzoeksartikel valt onmiddellijk het toverwoord in het kader van het bevolkingsonderzoek naar borstkanker: overdiagnose. Over overdiagnose is de laatste jaren ontzettend veel onderzocht en gepubliceerd. Overdiagnose, de diagnose van kankers die nooit klinisch manifest zouden zijn geworden in afwezigheid van screening, wordt als het grootste nadeel gezien van bevolkingsonderzoek naar borstkanker. Wetenschappers hebben al veel gediscussieerd over hoe overdiagnose het beste kan worden geschat en in de wetenschappelijke literatuur zijn er al heel wat verschillende...

Een op de vijf personen met een handicap leeft in armoede en een op de vier ervaart een financiële barrière tot de gezondheidszorg. Een hoge zelfredzaamheid en werkloosheid blijken hierin belangrijke factoren. In toekomstig onderzoek zou de focus niet enkel gericht moeten zijn op de oorzaken van de huidige precaire situatie van personen met een handicap, maar ook op preventieve oplossingen voor armoede en verminderde financiële toegang tot gezondheidszorg. Er is vooral behoefte aan onderzoek naar maatregelen die het uitstellen van medische hulp verminderen.

Geïnformeerde keuze is sinds een tijdje een goed ingeburgerde term in het (Vlaamse) kankerscreeningsland. Vroegtijdige opsporing met mammografie kan de sterfte aan borstkanker doen dalen, maar veel (de meeste?) vrouwen weten niet dat via de screening ook borstkanker wordt ontdekt die zonder gevolg zou zijn gebleven.

Er is heel wat te doen over de voor- en nadelen van georganiseerde programma’s voor kankerscreening. Hoe moeten overheden beslissen of ze de bevolking een screeningsprogramma gaan aanbieden of juist niet? Als men de bevolking de mogelijkheid ontzegt om (gratis) deel te nemen aan een georganiseerde vroegtijdige opsporing van een levensbedreigende kanker, zal dit de overheid worden kwalijk genomen.

Onderzoek in twee Belgische huisartsenpraktijken Dit artikel is een ingekorte samenvatting van: Vanderoost F, van der Wielen S, van Nunen K, Van Hal G. Employment loss during economic crisis and suicidal thoughts in Belgium: a survey in general practice. Br J Gen Pract 2013. doi: 10.3399/bjgp13X673702 Voor referenties, affiliaties en een uitgebreider verslag verwijzen we naar de originele publicatie. Vanderoost F, van der Wielen S, Van Nunen K, Van Hal G. Baanverlies tijdens de economische crisis en suïcidegedachten. Onderzoek in twee Belgische huisartsenpraktijken. Huisarts Nu 2014;43:132-3.

Aanbevelingen voor goede medische praktijk zijn richtinggevend als ondersteuning en houvast bij het nemen van diagnostische of therapeutische beslissingen in de huisartsengeneeskunde. Zij vatten voor de huisarts samen wat voor de gemiddelde patiënt wetenschappelijk gezien het beste beleid is. Daarnaast is er de agenda van de patiënt, die een gelijkwaardige partner is bij het nemen van beslissingen. Daarom verheldert de huisarts de vraag van de patiënt door een gepaste communicatie en geeft informatie over alle aspecten van de mogelijke beleidsopties. Het kan dus voorkomen dat huisarts en...

Bij screening op borstkanker wordt systematisch ook de densiteit van de borsten vastgesteld. Een hoge densiteit blijkt een belangrijke risicofactor voor borstkanker te zijn. Toch wordt deze informatie meestal niet aan de huisarts doorgegeven. Dit zou tot veel meer extra onderzoek leiden, met soms een grote angstinductie en nodeloze invasieve ingrepen voor de betrokken patiënte tot gevolg.

De afgelopen maanden was het onderwerp 'generische medicatie' niet uit de Belgische actualiteit weg te branden. Overheid en farmaceutische industrie kwamen beurtelings met argumenten om het gebruik van generica al dan niet te stimuleren. Andere partijen zoals genericaproducenten, ziekenfondsen, artsen en apothekers lieten uitvoerig hun mening horen. Een debat dat de patiënt, de belangrijkste betrokkene, boven zijn hoofd ziet gebeuren. Via een beperkte enquête werd getracht toch een indicatie te krijgen van wat de patiënt hiervan zelf vindt. Hiervoor werden 250 enquêteformulieren verspreid in...

In hoeverre komt de huisarts in aanraking met de problematiek van CO-vergiftiging? Dat was het uitgangspunt van een enquête die aan een honderdtal huisartsen werd voorgelegd. Hoe komen ze tot een dia­gnose, welke criteria gebruiken ze, lenen ze tijdens het huisbezoek op risi­cofactoren (gasboilers, kolenkachels, .. .), zijn ze voldoende geïnformeerd, enzovoort? Vermits de huisarts veelal de omgevingsfactoren en omstandig­heden van zijn patiënten kent, is hij goed geplaatst om de chronische vorm van co-intoxicatie op te sporen. De vage en aspecifieke symptomen maken het er echter niet...