Menu

Op dinsdagochtend, tijdens de consultaties in het asielzoekerscentrum, ontmoet ik Brahim. In zijn dossier lees ik dat hij tijdens zijn vluchtroute van Noord-­Afrika naar België van een hoge muur is gesprongen en daarbij een van zijn ruggenwervels heeft gebroken.

Mijn collega’s en ik zijn net, na een vermoeiende ochtend met veel telefoontjes en patiënten, aan het lunchen als de spoedtelefoon gaat. Tussen 13.00 en 13.30 uur kunnen patiënten ons enkel bereiken als er een spoedgeval is. De doktersassistente neemt de telefoon op en ik spits mijn oren. Vandaag ben ik de arts die instaat voor de spoedgevallen.

Ik rij naar een klein rijhuis in een wijk vol arbeiderswoningen. De deur staat wagenwijd open: een walm van wierrook en wiet slaat in mijn gezicht. Een jongeman komt net de trap afgestrompeld, met holle ogen kijkt hij me aan: “Ah de dokter, kom maar binnen. Mijn moeder is boven, er is iets niet goed met haar.”

Mijn agenda vertelt me dat de volgende patiënte komt voor ‘messteken in het hart, waardoor nog dagelijks pijn’. De verpleegkundige heeft haar al gezien en naar mij doorverwezen.

Mevrouw Ozman is afkomstig van Turkije en komt zuchtend en steunend mijn werkkamer binnen, gevolgd door een van haar dochters. Ze draagt een mondmasker dat maar half over haar mond zit.

Mustafa, een 7-jarige jongen met een zware autistische stoornis komt langs. Hij kan niet praten, maakt moeilijk contact, maar laat wel duidelijk merken als hij kwaad of verdrietig is.

Een vrolijke man uit Afrika wandelt mijn kabinet binnen. Eerder deze week vertelde hij aan de telefoon dat hij sinds zijn laatste bezoek aan Afrika koorts heeft. “I feel it is malaria, I had it before and it feels exactly the same.” En nu zit Serge voor me: een grote, stevige man die straalt van de levensvreugde. Hij benadrukt direct dat hij een test voor malaria wil: “I’m sure, doctor, it is malaria. So I need a test and treatment! I’m hot all the time and sweating all over my body.”

Hoewel ik sinds kort terug in België ben, moest ik onlangs terugdenken aan mijn eerste week in de plattelandspraktijk in Nieuw-Zeeland.

Op het einde van de middag komt de verpleegkundige mijn kabinet binnen: “Anne Marieke, ik heb net een patiënt gezien die een stuk van een plant heeft opgegeten en nu last heeft van zijn mond. Hij is niet kortademig, kan gewoon praten, zijn bloeddruk is normaal maar hij voelt zich een beetje zweterig. Als ik in zijn keel kijk, zie ik niets speciaal. Hij is zelf bang dat de plant giftig was.”

Een jong koppel komt op raad­pleging. De vriendelijk uitziende man en vrouw nemen plaats op de houten klapstoeltjes, die we wegens coronamaatregelen hebben geplaatst omdat ze makkelijk te ontsmetten zijn. Vervolgens opent de dame haar handtas, waaruit ze twee stukken verfrom­meld keukenpapier haalt.