Menu

Mijn agenda vertelt me dat de volgende patiënte komt voor ‘messteken in het hart, waardoor nog dagelijks pijn’. De verpleegkundige heeft haar al gezien en naar mij doorverwezen.

Mevrouw Ozman is afkomstig van Turkije en komt zuchtend en steunend mijn werkkamer binnen, gevolgd door een van haar dochters. Ze draagt een mondmasker dat maar half over haar mond zit.

Ik rij naar een klein rijhuis in een wijk vol arbeiderswoningen. De deur staat wagenwijd open: een walm van wierrook en wiet slaat in mijn gezicht. Een jongeman komt net de trap afgestrompeld, met holle ogen kijkt hij me aan: “Ah de dokter, kom maar binnen. Mijn moeder is boven, er is iets niet goed met haar.”

Mustafa, een 7-jarige jongen met een zware autistische stoornis komt langs. Hij kan niet praten, maakt moeilijk contact, maar laat wel duidelijk merken als hij kwaad of verdrietig is.

Een vrolijke man uit Afrika wandelt mijn kabinet binnen. Eerder deze week vertelde hij aan de telefoon dat hij sinds zijn laatste bezoek aan Afrika koorts heeft. “I feel it is malaria, I had it before and it feels exactly the same.” En nu zit Serge voor me: een grote, stevige man die straalt van de levensvreugde. Hij benadrukt direct dat hij een test voor malaria wil: “I’m sure, doctor, it is malaria. So I need a test and treatment! I’m hot all the time and sweating all over my body.”

Hoewel ik sinds kort terug in België ben, moest ik onlangs terugdenken aan mijn eerste week in de plattelandspraktijk in Nieuw-Zeeland.

Op het einde van de middag komt de verpleegkundige mijn kabinet binnen: “Anne Marieke, ik heb net een patiënt gezien die een stuk van een plant heeft opgegeten en nu last heeft van zijn mond. Hij is niet kortademig, kan gewoon praten, zijn bloeddruk is normaal maar hij voelt zich een beetje zweterig. Als ik in zijn keel kijk, zie ik niets speciaal. Hij is zelf bang dat de plant giftig was.”

Een jong koppel komt op raad­pleging. De vriendelijk uitziende man en vrouw nemen plaats op de houten klapstoeltjes, die we wegens coronamaatregelen hebben geplaatst omdat ze makkelijk te ontsmetten zijn. Vervolgens opent de dame haar handtas, waaruit ze twee stukken verfrom­meld keukenpapier haalt.

Sommige families heb ik, ondanks het hele coronagebeuren, toch nog veel gehoord of gezien. Zo ook de familie Hasmi: een fijn jong gezin waarvan de ouders afkomstig zijn uit Afghanistan. De moeder is een stevige dame die veel lacht maar helaas beperkt Nederlands spreekt. De vader is een knappe en verzorgde man die heel beleefd is en wel goed Nederlands spreekt. Ze hebben twee schatten van zoontjes.

Huisarts zijn in Nieuw-Zeeland is in veel aspecten vergelijkbaar met het werk in België. Zo zijn er hier ook patiënten die te laat op hun afspraak verschijnen. Ik ben zo iemand die nog geen duidelijk beleid heeft voor deze laatkomers.