Menu

Sjarel is één van de weinige patiënten die ik al kende voor ik mijn studies geneeskunde startte. Ooit was hij als kind mijn buur, in de stad waar mijn wieg stond. Later werd hij mijn mentor voor en bij de aanvang van de zeven jaren aan de unief. Het was niet alleen de anatomie en fysiologie die we deelden, maar ook voetbal. Elk jaar gingen we een paar keer naar de Rode Duivels kijken, toen nog een bescheiden clubje.

Raymond heeft ons verlaten, eer­gisteren, wellicht in de late nacht. Het tijdstip van overlijden kon niet met zekerheid worden vastgesteld. Hij was overigens niet gekend met zware pathologie.

Ouders als chronische patiënt, opa’s jong gegaan en een leeftijdsgenoot begraven: dat doet iets met een mens, denk ik dan. Zo ook met Alex; hij is nogal van het angstige type en komt vaak op consultatie met veel verwachtingen over de ‘maakbare’ geneeskunst.

Ik heb het niet zo voor patiëntenstop. Ik vind het niet ethisch om patiënten te weigeren en vooral het verhindert om nieuwe leuke mensen in je patiënteel te verwelkomen.

Madame Van Daele wil zo genoemd worden, op zijn Frans, met de naam van haar echtgenoot, niet die van haar. Geen frivoliteiten of intimiteiten met voornamen in de medische relatie.

Hoewel veel mensen, en zeker ook artsen, denken dat je een soort van 24/7 levensredder bent, is de werkelijkheid vaak een beetje anders. Toch heb ik in mijn loopbaan al zeker twee levens gered.

Misschien verschijnt dit stukje postuum, want ik schrijf dit in complete coronawaanzin op vrijdag 13 maart, ook dat nog. Ik heb voor mijzelf en mijn dierbaren beslist om met heel de heisa stoïcijns om te gaan.

Ik heb weinig of heel eerlijk geen BV’s in mijn patiënteel. Ik weet alleen iets van de gezondheid of eerder ziektes van bekende landgenoten uit de boekskes. Maar soms zit er een BV tussen van wie je het niet eens wist.

Hij ligt languit op de sofa en zij zit rechts naast hem. Hun vier handen omstrengelen een klein donkerhouten kruis, zodat de tattoo van de paternoster op de rugzijde van haar linkervoorarm duidelijk zichtbaar wordt. Twee kettinkjes die uitmonden op een zwart kruis.

Vier broers wonen ongehuwd samen in het ouderlijke huis: Patrick, Rudy, Jacques en Serge. Ze lijken wel de Daltons, maar zijn eerder simpel dan venijnig. De vier broers leven allemaal van een uitkering. Eén doet de boodschappen, de ander is de ‘huismeid’. Eén de financiën en dat is heel wat.