Menu

De stap van evidence-based richtlijnen naar de alledaagse praktijk verloopt dikwijls niet zo vlot. Deze studie gaat na of de Lok-groepen hierin een bemiddelende rol kunnen spelen. Hiervoor kregen negen Lok-groepen van huisartsen één interventiesessie over het rationeler voorschrijven van antibiotica bij acute rinosinusitis. Nadien bleek hun voorschrijfgedrag niet significant veranderd in vergelijking met de controle Lok-groepen. Om richtlijnen daadwerkelijk in de praktijk te implementeren, is wellicht een combinatie van verschillende methoden aangewezen.

Wat verwachten patiënten met acute keelpijn van hun bezoek aan de huisarts? Willen zij vooral een antibioticum of eerder geruststelling en meer informatie over het ziekteverloop? Uit dit onderzoek blijkt dat patiënten die naar een antibioticum vragen, vooral hopen op pijnstilling. Dit misverstand kan worden verholpen door een efficiëntere communicatie waarin gepeild wordt naar de werkelijke verwachtingen van de patiënt. Wellicht is het aanbieden van goede pijnstilling een beter antwoord op de vraag van de patiënt en kan dit bijdragen tot het rationeler voorschrijven van antibiotica bij acute...

Volgens een aantal gerandomiseerde studies zouden antibiotica toch een effect kunnen hebben in de behandeling van acute rinosinusitis bij een minderheid van de patiënten. Deze studie ging op zoek naar de identificatie van deze patiëntengroep. Hoe kunnen ze herkend worden in de huisartsenpopulatie? Welke symptomen vertonen ze? En is de prognose met een antibioticabehandeling in deze groep beter dan placebo? Uit dit onderzoek bleek alvast dat het onmogelijk was om op basis van symptomen en abnormale radiografieën deze patiëntengroep te identificeren.

In deze studie werden gegevens over het antibioticagebruik in de Verenigde Staten en 27 landen in Europa voor het eerst met elkaar vergeleken. Hiervoor werden gegevens van het Europese ESAC-project en van het Amerikaanse IMS Health geanalyseerd. Uit de gegevens blijkt dat in de Verenigde Staten het antibioticagebruik hoger was dan in de meeste Europese landen en dat ze meer gebruikmaakten van nieuwere antibiotica. Mogelijke verklaringen voor deze verschillen met Europa zijn de verschillende gezondheidssystemen, een andere regelgeving en een verschillende marketingaanpak.

De symptomen van een acute lageluchtweginfectie duren vaak langer dan de patiënt verwacht. Bij een persisterende hoest of dyspneu zal hij al snel opnieuw consulteren. Vaak wordt dan een antibioticum voorgeschreven. Deze studie gaat na welke symptomen het klinische verloop van een acute lageluchtweginfectie kunnen voorspellen. Ook wordt onderzocht of een behandeling met antibioticum het genezingsproces versnelt. Door de patiënt beter in te lichten over het reële ziekteverloop van een lageluchtweginfectie kunnen onnodige antibioticavoorschriften alvast worden voorkomen.

Naast vaccinatie om griep te voorkomen kunnen antivirale middelen ingezet worden om seizoensgriep te behandelen. Hierbij gaat het vooral om de nieuwere neuraminidaseremmers. Deze antivirale middelen zijn pas zinvol als influenza A of B in de omgeving aangetoond is. In deze richtlijnen wordt samengevat in welke omstandigheden men neuraminidaseremmers het best voorschrijft. Uitgebreidere informatie hierover is terug te vinden in het rapport ‘Antivirale middelen bij seizoensgriep en grieppandemie. Literatuurstudie en ontwikkeling van praktijkrichtlijnen’ van het Federaal Kenniscentrum voor de...

Vanaf 1 november 2007 wordt in ons land één van de twee vaccins tegen infecties met het humaan papillomavirus (HPV) voor meisjes tussen 12 en 15 jaar terugbetaald. Deze vaccins bevatten twee hoogrisicotypen van het HPV, waarvan wordt aangenomen dat ze verantwoordelijk zijn voor 70% van de gevallen van baarmoederhalskanker. Of de meisjes door de vaccins tegen deze HPV-infecties levenslang beschermd worden, is nog de vraag. Misschien is na enkele jaren een booster nodig. En wat zal de impact van deze vaccins zijn op het aantal baarmoederhalskankers? In de strijd tegen baarmoederhalskanker blijft...

Uit onderzoek blijkt dat heel wat vrouwen niet weten dat een infectie met een hoogrisico humaan papillomavirus (HPV) een rol kan spelen in het ontstaan van baarmoederhalskanker. Betere informatie door de huisarts kan hieraan verhelpen. De patiënten kunnen dan bewuster voor een HPV-screening kiezen en een eventueel positief resultaat beter plaatsen. Voldoende informatie tijdens de opleiding en navorming, en aangepaste patiëntenbrochures en posters zijn belangrijke voorwaarden om dit te realiseren.

Hoe evalueren patiënten de relatie met hun huisarts? Om dit te onderzoeken worden er steeds meer meetinstrumenten ontwikkeld. Eén hiervan is de ‘Doctor’s Interpersonal Skills Questionnaire’ of de DISQ-vragenlijst, waarin rekening gehouden wordt met het oordeel van de patiënt. Een huisartsenpraktijk in Maaseik implementeerde deze relatief eenvoudige vragenlijst in de praktijk en met succes. De respons van de patiënten was zeer hoog en de huisartsen, een praktijkopleider en hibo, kregen waardevolle informatie om hun communicatie met de patiënt bij te sturen.

Welke informatie geven huisartsen aan adolescenten tijdens een contraceptieconsult? Geven ze correcte informatie? Informeren ze voldoende naar de achtergrond van de patiënte? In deze studie deden drie studenten zich voor als patiënten en bezochten onaangekondigd dertig huisartsen voor een contraceptieconsult. De resultaten waren soms teleurstellend: niet alle informatie over het pilgebruik was correct, de keuze van de pil werd soms beïnvloed door ‘stalen’ in de praktijk en over het bestaan van de noodpil werd nauwelijks gerept… Kan de toepassing van de Domus Medica-aanbeveling ‘Orale...