Menu

Mijn collega’s en ik zijn net, na een vermoeiende ochtend met veel telefoontjes en patiënten, aan het lunchen als de spoedtelefoon gaat. Tussen 13.00 en 13.30 uur kunnen patiënten ons enkel bereiken als er een spoedgeval is. De doktersassistente neemt de telefoon op en ik spits mijn oren. Vandaag ben ik de arts die instaat voor de spoedgevallen.

Raymond heeft ons verlaten, eer­gisteren, wellicht in de late nacht. Het tijdstip van overlijden kon niet met zekerheid worden vastgesteld. Hij was overigens niet gekend met zware pathologie.

Ik rij naar een klein rijhuis in een wijk vol arbeiderswoningen. De deur staat wagenwijd open: een walm van wierrook en wiet slaat in mijn gezicht. Een jongeman komt net de trap afgestrompeld, met holle ogen kijkt hij me aan: “Ah de dokter, kom maar binnen. Mijn moeder is boven, er is iets niet goed met haar.”

Ouders als chronische patiënt, opa’s jong gegaan en een leeftijdsgenoot begraven: dat doet iets met een mens, denk ik dan. Zo ook met Alex; hij is nogal van het angstige type en komt vaak op consultatie met veel verwachtingen over de ‘maakbare’ geneeskunst.

Mijn agenda vertelt me dat de volgende patiënte komt voor ‘messteken in het hart, waardoor nog dagelijks pijn’. De verpleegkundige heeft haar al gezien en naar mij doorverwezen.

Ik heb het niet zo voor patiëntenstop. Ik vind het niet ethisch om patiënten te weigeren en vooral het verhindert om nieuwe leuke mensen in je patiënteel te verwelkomen.

Mevrouw Ozman is afkomstig van Turkije en komt zuchtend en steunend mijn werkkamer binnen, gevolgd door een van haar dochters. Ze draagt een mondmasker dat maar half over haar mond zit.

Madame Van Daele wil zo genoemd worden, op zijn Frans, met de naam van haar echtgenoot, niet die van haar. Geen frivoliteiten of intimiteiten met voornamen in de medische relatie.