Menu

Vele landen beschouwen verslavingszorg, en bij uitbreiding de hele psychiatrische hulpverlening, als niet-essentieel. Lishman betoogde meer dan tien jaar geleden al dat we beter niet over psychiatrische zorg spreken, maar over zorg voor psychiatrische aspecten van ziektes.

Tijdens ingrijpende maatschappelijke gebeurtenissen, zoals terroristische aanslagen, natuurrampen, een pandemie, is er een stijging van het gebruik van alcohol en rook­waren.1 Een hogere alcoholconsumptie werd ook in de huidige COVID-19-pandemie vastgesteld, waarbij werkloosheid, verveling, depressie, verlies van dagelijkse routine en sociale isolatie meebepalend waren voor de gebruikscijfers.

Aan het begeleiden van complexe problemen heeft de huisarts geen gebrek: chronische pijn, kanker, verslavingsproblematiek, mentale problemen, enzovoort. Ook de aanmeldingsvraag van vele patiënten laten een complexe achtergrondproblematiek vermoeden: ‘ik ben moe’, ‘het gaat niet meer met mij’, ‘ik zie het niet meer zitten’. Hoe een beeld krijgen van het complexe landschap dat bij de patiënt speelt? En hoe een zicht krijgen op hetgeen de patiënt als zelfinzicht heeft verworven en waarmee de arts en patiënt aan de slag kunnen gaan?

Alcoholgebruik is erg beschikbaar in onze samenleving, zowel voor mannen als vrouwen. Bijna één op tien vrouwen drinkt wekelijks één tot zes standaardglazen.

Ongeveer 5,4% van de mannen en 1,5% van de vrouwen in Europa tussen 18 en 64 jaar heeft zware problemen met alcohol. Wat probleemdrinken betreft (en dus niet alleen verslaving), schat men dat 10% van de bevolking een of ander probleem met alcohol heeft gehad of nog heeft. Waarschijnlijk wordt slechts 10% van deze groep behandeld.