Menu

Samen met pediaters komen huisartsen het meest in aanraking met griep van alle gezondheidswerkers. Dikwijls worden ze besmet met het influenzavirus zonder dat ze last hebben van de symptomen. Zelfs als huisartsen koorts maken en respiratoire klachten hebben, stoppen ze zelden hun praktijkvoering. In beide gevallen zijn ze een bron van infectie voor hun patiënten. Uit een telefoonenquête in 1999 blijkt dat 34% van de tweehonderd betrokken huisartsen zich echter niet tegen griep laat vaccineren, vooral omdat ze denken geen risico te lopen. Leeftijd en geslacht hadden geen invloed op het...

Artsen hebben twee- tot tienmaal meer kans om besmet te geraken met het hepatitis B-virus dan de algemene bevolking, vooral door prikaccidenten in de praktijk. Het is dus van groot belang dat artsen zich laten vaccineren tegen hepatitis B, ook al om hun patiënten niet te besmetten. In een onderzoek bij tweehonderd Vlaamse huisartsen bleek een kwart nog niet te zijn ingeënt. Vooral oudere en solowerkende huisartsen zijn wat nalatig of zien het belang van de vaccinatie niet in. Om deze groep alsnog te motiveren zich te laten vaccineren, kunnen kleinschalige campagnes in LOK-groepen of...

Evidence based medicine wordt een standaard voor de goede klinische praktijkvoering. Hoewel de huisartsgeneeskunde niet aan deze evolutie kan ontsnappen, is het zo dat huisartsen in een specifiek gezondheidskader werken. Zij worden frequenter geconfronteerd met ziektebeelden dan met ziekten en krijgen vaker klachten op de raadpleging te horen dan duidelijk gedefinieerde symptomen. De vraag rijst dan ook of het klinisch beleid van de huisarts wel kan worden vergeleken met de aanpak op de tweede lijn. Zijn de evidence based klinische aanbevelingen wel geschikt voor dagelijks gebruik in de...

De huisarts wordt als eerstelijnshulpver­lener vaak geconfronteerd met de raag naar een HIV-test. In Vlaanderen zou meer dan 90% van alle HIV-testen door een huisarts worden aangevraagd.

Het vermoeden van een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) kan een reden zijn om een huisarts te consulteren. Soms is dat erg expliciet en modieus verpakt in de vraag om een "aidstest”. Maar het gebeurt vaker dat we tijdens onze diagnostische speurtocht aan een SOA moeten denken, zonder dat de aanbreng van de patiënt of de klachten ons op dat spoor zetten. Deze vierde vraagstelling in de klinische reeks rond seksualiteit, SOA’s en anticonceptie wordt op de volgende bladzijde door dr. Dirk Avonts besproken.

Anticonceptie is een belangrijk, maar ook ingewikkeld terrein voor de huisarts. Bij het afleveren van het voorschrift dient de arts rekening te houden met de indicatiestelling, voorlichting en opvolging.

Vele hedendaagse westerse ziekten houden verband met levensstijl en vormen van samenleven. De woning vormt hierbij een van de huiden die ons beschermen. Ze functioneert als grens tussen binnen- en buitenwereld, zowel in fysische als in sociale zin. Om de gezondheid van zijn patiënten optimaal te kunnen begeleiden, heeft de arts hier best oog voor en speelt hij hierop in.

Genitale wratten kwamen onlangs meer in de wetenschappelijke belangstelling. Er werd immers een verband tussen HPV-infecties en het voorkomen van kanker vastgesteld. De diagnostiek van een HPV-infectie is echter niet eenvoudig. Ook de kennis van de verspreiding van genitale HPV-infecties laat nog te wensen over. Een efficiënte behandeling van wratten is zowel voor de patiënt als voor de arts een beproeving.

Genitale wratten zijn een vaak voorkomende aandoening bij seksueel actieve personen, maar worden dikwijls toevallig ontdekt. Tot voor enkele jaren werden wratjes aan de geslachtsorganen beschouwd als een onschuldige, maar wel vervelende aandoening. Recent stapelen de argumenten zich op die een verband suggereren tussen cervicale dysplasie/cervixkanker en het humaan papillomavirus (HPV), de oorzaak van genitale wratten. Eenvoudige labotesten leveren weinig resultaat, zodat nauwkeurig klinisch onderzoek noodzakelijk is.

Anesthesie van de huid op de klassieke manier is een tweesnijdend zwaard. Pas na een vervelende prik treedt de verdoving in. Bij kleine ingrepen als cryotherapie blijft een dilemma bestaan. Wat is het vervelendst? De prik samen met de ingreep of de ingreep direkt uitvoeren zonder verdoving?