Menu

Voor patiënten met diabetes mellitus type 2 vormen cardiovasculaire aandoeningen de belangrijkste risico’s; chronisch hartfalen komt bij deze groep patiënten frequent voor. De vraag of orale antidiabetica een stijging van morbiditeit en mortaliteit bij patiënten met chronisch hartfalen tot gevolg hebben, is dan ook een terechte klinische vraag.

Het nut van de bepaling van D-dimeren om een diepveneuze trombose (DVT) uit te sluiten is, zeker in een populatie met een lage voorkans, uitgebreid gedocumenteerd. D-dimeren nemen toe tijdens de zwangerschap. Daarom dacht men dat het gebruik van deze test minder performant zou zijn om bij zwangere vrouwen een DVT uit te sluiten.

Wie vijftig is en zijn loopschoenen ergens aan de haak heeft hangen, mag nu niet ophouden met lezen. Wat volgt, kan hem of haar helpen te kiezen voor een langer en vooral gezonder leven. Mensen die sporten zeggen altijd dat ze zich goed voelen ondanks het vele zweten en het peesleed. Maar is dit wel zo?

Er zijn al zeer veel artikels verschenen die de link proberen te leggen tussen het voorkomen van myocardinfarct en inflammatie. Uit dierexperimenten blijkt zelfs dat pneumokokkenvaccinatie de uitbreiding van atherosclerotische letsels kan voorkomen.

Volgens de cijfers van Intego voor 1999-2003 komt dementie voor bij 1,5 per 1 000 patiënten in de praktijkpopulatie tussen 65 en 74 jaar en bij 6,77 bij 75-plussers (www.intego.be). Met de toenemende vergrijzing van de bevolking zal de vraag ‘of deze patiënt dement is’ steeds frequenter gesteld moeten worden. Snelle tests om te screenen op cognitief verlies kunnen helpen bij de oriëntatie van de vraag of een patiënt al of niet beginnend dementerend is.

De titel van dit proefschrift van Mieke van Driel is op zich reeds een uitdaging. Iedereen die het medische bedrijf of de gezondheidszorg kritisch bekijkt, moet vaststellen – en dit niet eens tot zijn verwondering – dat er een kloof blijft tussen de beschikbare medische evidentie en de medische praktijk. Deze kloof wetenschappelijk gaan exploreren lijkt een heikele onderneming. Met een goed kompas en een degelijke kaart lukt het misschien om er te komen.

Naast een kwantitatief onderzoek naar de tevredenheid van de deelnemende artsen aan het onderzoeksnetwerk van ResoPrim (zie vorige artikel, blz. 407) werd ook een kwalitatief onderzoek georganiseerd. Aan de hand van interviews en focusgroepen werd gepeild naar de voor- en nadelen die artsen verwachten en wat hen doet beslissen om aan een onderzoeksnetwerk deel te nemen. Belangrijk zijn de garantie dat de gegevens volledig geanonimiseerd worden, zowel van de arts als de patiënt, en de wetenschappelijkheid van het onderzoek. Ook de mogelijkheid om zich zowel klinisch als technisch te verbeteren...

Kunnen de gegevens uit het elektronisch medisch dossier van huisartsen aangewend worden voor wetenschappelijk onderzoek? Het ResoPrim-project, gesubsidieerd door de federale overheid, onderzocht de voorbije jaren hoe deze gegevens in een onderzoeksnetwerk kunnen circuleren en verwerkt worden. Volgens de eerste bevindingen is er vooral een toekomst weggelegd voor onderzoek naar de kwaliteit van de zorg en naar de bruikbaarheid van informatiesystemen in de gezondheidszorg.

De aanbeveling over cardiovasculaire preventie is klaar. Een degelijk werkstuk, goed onderbouwd en getoetst op de wetenschappelijke kwaliteit en de haalbaarheid in de praktijk. Nu met zijn allen aan de slag. Van de volwassen Belgen zou nauwelijks 5% een voldoende laag cardiovasculair risico hebben. Dit wil zeggen dat tezelfdertijd hun bloeddruk lager is dan 120/80 mmHg, dat ze niet roken, dat hun BMI minder is dan 26 en hun LDL-cholesterol lager dan 120 mg%.

Hoe kan de huisarts een depressieve stoornis herkennen? Wanneer gaat het om een somatische aandoening? Wanneer is verwijzing noodzakelijk? En wanneer mag de huisarts op de eigen kracht van de patiënt en zijn sociale netwerk vertrouwen? Een aantal kern- en aanvullende symptomen kunnen helpen om een depressie van andere aandoeningen te onderscheiden en de patiënt ook beter te begeleiden.