Menu

Om de kans op COVID-19 te bepalen is het klinisch relevant het moment in de epidemie te kennen, maar ook de leeftijd, het geslacht, de risicofactoren, symptomen en vaccinatiestatus van de patiënt.

Tijdens een consult kunnen huisartsen een plots opkomend alarmerend gevoel van alertheid ervaren ‘dat-er-iets-niet-klopt’ en dat actie noodzakelijk is. Dit buikgevoel is een vorm van niet-analytisch denken vanuit intuïtie, waarbij kennis en ervaring de basis vormen. Het gaat om een automatisch proces, onbedoeld, onbewust, oncontroleerbaar, efficiënt en snel.

Antivirale middelen worden zelden voorgeschreven in de Europese eerstelijnszorg voor griepachtige aandoeningen. Overheden hebben ze wel massaal aangekocht en gestockeerd ten tijde van de Mexicaanse griep, ook in België.

Patiënten besmet met het nieuwe coronavirus (SARS-CoV-2) en lijdend aan COVID-19, worden empirisch behandeld met combinaties van geneesmiddelen waaronder oseltamivir. Voor deze aanpak is er nauwelijks evidentie gebaseerd op gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek.

Uit eerder onderzoek blijkt dat het werken op de wachtpost invloed heeft op het antibioticavoorschrijfgedrag van de huisarts. De specifieke context van de wachtpost verschilt van de eigen praktijk door eerste en eenmalige contacten met de patiënt, tijdsdruk, het gevoel een andere professionele rol/identiteit te hebben, het ontbreken van follow-up, enzovoort. De meeste huisartsen hebben het gevoel dat hun drempel om voor te schrijven daardoor daalt.

De nieuwe maat ‘number needed to treat for net effect’ of NNTnet vat zowel de voor- als nadelen van een behandeling samen. Twee voorbeelden in verband met goed gebruik van antibiotica illustreren de toepassing van de NNTnet in de praktijk.

De meest voorkomende reden om de huisartsenwachtpost te contacteren is een infectie. De meeste patiënten met een infectie die zich hier aanbieden, zullen spontaan genezen. Op de wachtpost voelen artsen zich echter in een andere professionele rol dan in hun eigen praktijk.

Het blijft een moeizaam en moeilijk proces om artsen en patiënten ervan te overtuigen dat het nemen van antibiotica geen tot weinig nut heeft bij een ongecompliceerde luchtweginfectie.

Om klinisch-wetenschappelijk bewijs te kunnen vertalen naar de praktijk is het essentieel om verandering in professioneel gedrag te begrijpen, inclusief de barrières en faciliterende factoren. Interventies die in een klinische onderzoeksetting het meest doeltreffend zijn, zijn echter niet noodzakelijk de interventies die huisartsen het liefst willen leren, het makkelijkst vinden om toe te passen of prioritair te implementeren, of die het meest geschikt zijn voor hun praktijk.