Menu

Hoewel een elektronisch medisch dossier (EMD) de gezondheidszorg kan bevorderen, waren artsen in de Verenigde Staten traag om met het gebruik ervan te starten. Deze studie gaat na in welke mate artsen het EMD in de ambulante praktijk gebruikten, alsook hun tevredenheid over het systeem, het ingeschatte effect op de kwaliteit van zorg en de ervaren drempels bij het gebruik.

Het voorschrijfgedrag van (huis)artsen wordt nauwlettend in de gaten gehouden, met als doel zo kosteneffectief mogelijk voor te schrijven. Tot nu toe konden studies de grote verschillen in voorschrijfgedrag tussen de praktijken echter niet voldoende verklaren.

Naast het specifiek therapeutische effect van een behandeling zijn er ook contextfactoren die maken dat een behandeling min of meer zal aanslaan. Deze niet-specifieke effecten stelt men vaak gelijk met het placebo-effect.

Of het vaststellen van een te hoge bloeddruk in onze dagelijkse praktijk resulteert in het opstarten of intensifiëren van een antihypertensiebehandeling wordt door meerdere factoren beïnvloed. De aanwezige comorbiditeit blijkt daarbij een belangrijke factor te zijn, zo blijkt uit een recent onderzoek in zes eerstelijnspraktijken in Philadelphia (VS).

Volgens de cijfers van Intego voor 1999-2003 komt dementie voor bij 1,5 per 1 000 patiënten in de praktijkpopulatie tussen 65 en 74 jaar en bij 6,77 bij 75-plussers (www.intego.be). Met de toenemende vergrijzing van de bevolking zal de vraag ‘of deze patiënt dement is’ steeds frequenter gesteld moeten worden. Snelle tests om te screenen op cognitief verlies kunnen helpen bij de oriëntatie van de vraag of een patiënt al of niet beginnend dementerend is.

Om emotionele en gedragsproblemen bij kinderen te meten is de Child Behavior Checklist de gouden standaard. Toch kan ook de Pediatric Symptom Checklist een nuttige rol spelen in de vroegdetectie van deze problemen, vooral omdat deze vragenlijst voor de ouders gebruiksvriendelijker is. Dit onderzoek toont aan dat de Nederlandstalige versie van deze vragenlijst voor de onderzochte populatie ook voldoende betrouwbaar en valide was om in de praktijk te gebruiken.

In dit focusgroepenonderzoek werd nagegaan hoe huisartsen de therapietrouw bij hun patiënten met diabetes type 2 inschatten. Huisartsen bleken het vooral moeilijk te hebben met de groep van ‘niet te motiveren’ diabetes type 2-patiënten die, ondanks hun inspanningen, weinig therapietrouw bleven. Een gedeelde zorg en verantwoordelijkheid over de behandeling tussen arts en patiënt zou mogelijk ook deze groep diabetes type 2-patiënten kunnen overtuigen om hun ziekte en opvolging ernstig te nemen.

De rode draad doorheen deze casusreeks is de zoektocht naar een individueel aangepast beleid voor vijf herkenbare patiënten die met lagerugpijn consulteren in de huisartsenpraktijk. Richtlijnen, maar ook andere, minder voor de hand liggende informatiebronnen, geven niet voor iedere individuele patiënt een duidelijk antwoord. Zeker wat de niet-medicamenteuze aanbevelingen betreft, bestaat er weinig eenduidigheid.

Aanbevelingen voor goede medische praktijk zijn richtinggevend als ondersteuning en houvast bij het nemen van diagnostische of therapeutische beslissingen in de huisartsengeneeskunde. Zij vatten voor de huisarts samen wat voor de gemiddelde patiënt wetenschappelijk gezien het beste beleid is. Daarnaast is er de agenda van de patiënt, die een gelijkwaardige partner is bij het nemen van beslissingen. Daarom verheldert de huisarts de vraag van de patiënt door een gepaste communicatie en geeft informatie over alle aspecten van de mogelijke beleidsopties. Het kan dus voorkomen dat huisarts en...