Menu

Door patiënten in contact te brengen met lotgenoten vervullen zelfhulpgroepen een heel eigen functie binnen de hulpverlening. Patiënten leren op die manier hun probleem of aandoening (beter) te (h)erkennen, te accepteren en te hanteren. Vaak worden ze ook mondiger en nemen ze een actievere rol op in hun gezondheid. Op die manier werkt een zelfhulpgroep emanciperend. Daarnaast verzamelen en verstrekken zelfhulpgroepen informatie, die ook voor huisartsen van belang kan zijn. Hoe huisartsen en zelfhulpgroepen tot een goede, complementaire samenwerking kunnen komen, wordt hieronder met voorbeelden...

Hoe zijn zelfhulpgroepen georganiseerd en voor wie zijn ze bedoeld? Welke probleemgebieden pakken ze aan en hoe kunnen ze hulp bieden? Deze en andere vragen vormden het uitgangspunt van een onderzoek in Vlaanderen door het Trefpunt Zelfhulp. Door meer en juiste informatie aan te reiken hoopt deze vereniging een aantal vooroordelen weg te werken en tot een betere samenwerking tussen zelfhulpgroepen en artsen te komen. Beide hebben immers een functie in de hulpverlening. Dit wordt in een volgend artikel (zie blz. 127-130) met praktijkvoorbeelden aangetoond.

De meesten verwachten in hun leven veel meer positieve dan negatieve ervaringen te zullen meemaken. Dergelijk optimisme geldt ook voor ziekte en gezondheid. Als hierdoor de kans op ziekte systematisch wordt onderschat, is deze houding niet meer gewettigd. Dit onrealistisch optimisme zou personen kunnen verhinderen de nodige voorzorgsmaatregelen te nemen om ziekten te voorkomen of kunnen demotiveren om zich aan de voorgeschreven behandeling te houden.

Marlies Van Steen is 30 jaar en gebruikt sinds de bevalling van haar derde kindje een oraal anticonceptivum van de derde generatie (gestodene of desogestrel bevattend OAC).

Het vermoeden van een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) kan een reden zijn om een huisarts te consulteren. Soms is dat erg expliciet en modieus verpakt in de vraag om een "aidstest”. Maar het gebeurt vaker dat we tijdens onze diagnostische speurtocht aan een SOA moeten denken, zonder dat de aanbreng van de patiënt of de klachten ons op dat spoor zetten. Deze vierde vraagstelling in de klinische reeks rond seksualiteit, SOA’s en anticonceptie wordt op de volgende bladzijde door dr. Dirk Avonts besproken.

Naast relationele en psychosociale factoren wordt in de psychiatrie — opnieuw — meer aandacht geschonken aan erfelijke en bio-organische factoren als verklaring voor bepaalde ziektebeelden. Dit is ook het geval in de kinderpsychiatrie. Onderzoek met tweelingen heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat autisme voor bijna 100% op erfelijkheid berust. Daarnaast wijst onderzoek in de neuropsychologie, - fysiologie, -anatomie en -farmacologie ook meer in de richting van bioetiologische verklaringen. Dit betekent echter niet dat psychosociale factoren over het hoofd moeten worden gezien. Deze kunnen immers...