Menu

In de huidige maatschappij zijn huisartsen, die in lang vervlogen tijden zeer gerespecteerd werden, gepenaliseerd tot het uiterst bekwaam uitschrijven van (ziekte)attesten. De COVID-pandemie deed er nog een schepje bovenop, want er werd ons opgelegd alle attesten voor ziekte en quarantaine uit te schrijven.

In de aanloop naar de komkommertijd leven studenten onder hoogspanning die ze niet zo gemakkelijk kunnen verteren. (Huis)artsen krijgen immers wel wat vragen om een examen of schoolactiviteit niet te moeten meedoen wegens ‘ziekte’: een verondersteld virale ziekte of spanningsklachten.

Tussen pleiter voor de patiënt en gatekeeper van de maatschappij Samenvatting Zoals in vele westerse landen is de Vlaamse arts verantwoordelijk voor het voorschrijven van arbeidsongeschiktheid. Deze taak heeft een belangrijke impact op het leven van de patiënt, de financiële last voor werkgevers, de sociale zekerheid en bij uitbreiding de gehele maatschappij. Deze rol als gatekeeper creëert een potentieel conflict tussen arts en patiënt. Deze studie, op basis van semigestructureerde interviews bij tien Vlaamse huisartsen, focust op drie aspecten van deze problematiek: de oorzaak van problemen...

Zomer ’98. Een niet-geregistreerde patiënt belt voor een attest van werkonbekwaamheid, omdat ze met de griep zit. Vier dagen hoge koorts, tegen de veertig, en zij is van wacht, zodat een collega moet overnemen. Wat zou u doen, als zij internist is in een groot Antwerps ziekenhuis?

Werk is meestal goed voor de gezondheid en afwezigheid van werk meestal nadelig. Of de huisarts iemand met rugpijn al dan niet een attest van werkonbekwaamheid zal geven, hangt af van zijn opleiding, zijn kennis van evidence based medicine, zijn persoonlijke overtuiging, zijn beschikbare tijd en van de voorgeschiedenis van de patiënt. Hoe artsen uiteindelijk een dergelijke beslissing nemen, is nog onvoldoende gekend.

In welke mate doen allochtonen een beroep op de huisarts om een medisch getuigschrift te bekomen en zijn er verschillen met de autochtone bevolking in Vlaanderen? Deze vraag was het uitgangspunt van een onderzoek waaraan vijfentwintig huisartsen deelnamen. In totaal werden 4.499 patiëntencontacten geregistreerd. Het bleek dat vooral jonge Turken significant meer om attesten vroegen dan Belgen. Bij de Marokkanen was de vraag het grootst in de groep van gepensioneerden en invaliden. Ongeacht de etnie bleken vooral studenten een medisch attest nodig te hebben en vrouwelijke patiënten het minst.

Het toekennen van arbeidsongeschiktheid vraagt van de huisarts een juiste inschatting van het gezondheidsprobleem van de patiënt en diens werkomstandigheden. Waardoor laat de huisarts zich leiden bij het uitschrijven van zo'n ziekteattest? Gaat hij/zij vooral af op objectief klinische bevindingen, of wordt ook rekening gehouden met de subjectieve klacht van de patiënt? Welke factoren spelen nog een rol? En hoe beïnvloeden zij de duur van de arbeidsongeschiktheid? Een onderzoek bij 88 huisartsen in Vlaanderen en Wallonië ging na hoe huisartsen tot een beslissing komen en in hoeverre hun...

Vorig artikel vermeldde reeds dat de aangifte van geweld overwogen moet gebeuren. Het medisch corps kan momenteel dankzij ondermeer het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en Gelijke Kansen-beleid (Smet) en de Provinciale coördinatoren inzake fysiek en seksueel geweld over specifiek hiervoor samengestelde attesten beschikken. Zij vergemakkelijken niet alleen de aangifte, maar ook het gevolg dat eraan gegeven wordt. Doorverwijzen of klacht neerleggen blijft echter een wel te overwegen beslissing.

Bij discussies over medische controle in het kader van de arbeidsovereenkomsten wordt er dikwijls niet alleen over de rechten, maar vooral over de plichten van de controle-arts gehandeld. Nochtans, vanaf het ogenblik waarop hij aan zijn patiënt-werknemer een attest van arbeidsongeschiktheid aflevert, is de behandelende geneesheer evenzeer betrokken partij. Wil hij dan in deze context zijn verantwoordelijkheid tenvolle opnemen, dan moet ook hij met kennis van zaken kunnen beslissen.

Deze vrijstelling wordt geregeld door art. 25.2.5° en art. 35.2.6° van het verkeersreglement. Het eerste artikel heeft betrekking op zwangere vrouwen, het andere op andere patiënten.